Korte geschiedenis openbare bibliotheek

De openbare bibliotheek biedt al meer dan een eeuw aan iedereen in Nederland toegang tot informatie en cultuur.

In de 19de en het begin van de 20ste eeuw ontstonden de eerste openbare leeszalen. Aan het eind van de 19de eeuw waren er vermoedelijk meer dan duizend. Deze waren volgens de sociale en religieuze scheidslijnen van die tijd in groepen verdeeld en vormden dus geen geheel. De openbare leeszalen leenden nog geen boeken uit. Een van de toenmalige leeszalen was die van Utrecht. Deze werd omstreeks 1908 een openbare bibliotheek nieuwe stijl die ook boeken ging uitlenen. De openbare bibliotheek van Dordrecht startte evenwel eerder, in september 1899, met de uitleen van boeken en wordt daarom vaak gezien als de oudste openbare bibliotheek van Nederland (Paul Schneiders, Lezen voor iedereen 1990).

In 1908 werd de Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en bibliotheken opgericht, die de belangen van de openbare leeszaal en de bibliotheek actief onder de aandacht bracht.

Het Rijk vaardigde tot 1921 een aantal tijdelijke subsidieregelingen uit. Met de uitvaardiging van de Rijkssubsidievoorwaarden 1921 voor openbare leeszalen en bibliotheken kregen deze subsidie, op voorwaarde dat de gemeente dit ook deed en er bovendien contributies voor uitleningen werden geheven. Gemeenten werden niet verplicht een openbare leeszaal op te richten (Bron: Open poort tot kennis). Door deze wet kon het stelsel van bibliotheken worden op- en uitgebouwd.

Intermezzo
In de periode 1920-1990 maakte het openbare bibliotheekwerk een sterke groei door. Deze wordt weerspiegeld in de toename van onder andere het aantal vestigingen in dat tijdperk.

aantal vestigingen van openbare bibliotheken 1920-2010

De oudste gegevens over de openbare bibliotheken dateren uit 1915. Er waren in dat jaar 31 vestigingen. Dit aantal was in 1920 al gegroeid tot 68 en nam daarna gestaag toe. Vanaf 1938 tot en met 1947 schommelde het aantal vestigingen rond 116. In 1948 groeide het aantal bibliotheken weer. In dat jaar kwamen er 17 bij, een toename met 15%. Dit was het begin van een lange periode waarin het aantal vestigingen vrijwel onafgebroken groeide. De top werd bereikt in de periode rond 1990. In 1995 was het aantal vestigingen gedaald naar 1116, in 2010 was het verder teruggelopen: tot 899. Hierbij moet overigens worden aangetekend dat in 2010 de definitie van een vestiging stricter gesteld is. Daardoor is het jaar 2000 niet geheel te vergelijken met  2010. De bezuinigingen die gemeenten (willen) doorvoeren in de periode vanaf 2010 kunnen ertoe leiden dat het aantal vestigingen verder daalt.

Vervolg
De openbare bibliotheken groepeerden zich langs de genoemde scheidslijnen. Hieruit ontstonden later de openbare, katholieke en protestantse bibliotheekkoepels. In 1972 verenigden deze zich in het Nederlands Bibliotheek- en Lektuurcentrum (NBLC).

De openbare bibliotheken groepeerden zich langs de genoemde scheidslijnen. Hieruit ontstonden later de openbare, katholieke en protestantse bibliotheekkoepels. In 1972 verenigden deze zich in het Nederlands Bibliotheek- en Lektuurcentrum (NBLC).

In 1975 werd de Wet op het openbaar bibliotheekwerk ingevoerd. Deze was van kracht tot 1987. Als gevolg van deze wet steeg het aantal vestigingen. Ook namen de omvang van de collecties, de ledenaantallen en de uitleencijfers in eenzelfde mate toe. In de jaren tachtig werd de bibliotheekbranche gedecentraliseerd.

Vervolgens werd de gemeente, als uitvloeisel van de Welzijnswet van 1987 de gemeente de voornaamste opdracht- en subsidiegever van de bibliotheek. In deze wet zijn twee artikelen gewijd aan jeugdcontributie, netwerkvorming en bestuurlijke verantwoordelijkheid (uit: Naar een nieuwe bibliotheekwet, VOB 2009).

In 2001 werd het Koepelconvenant herstructurering openbaar bibliotheekwerk van kracht. Het doel was de vorming van grotere bibliotheken die meerdere gemeenten konden omvatten, zodat zij een grotere reikwijdte en meer slagkracht zouden verkrijgen. Er werd een landelijke Stuurgroep Bibliotheken ingesteld. Onder een onafhankelijke voorzitter werd er gewerkt aan de verbetering en uitbreiding van de dienstverlening van bibliotheken en een vernieuwing van het stelsel van bibliotheken (voornamelijk door kleinere organisaties te laten opgaan in grotere, meer slagvaardige basisbibliotheken om de uitvoering van het Koepelconvenant mogelijk te maken: het proces van de Bibliotheekvernieuwing (zie ook: Aantal bibliotheekorganisaties).